|
|
De Congreskolom, Koningsstraat
Deze slanke kolom herdenkt de korte maar beslissende actie van het Nationaal Congres tijdens de onzekere periode wanneer de Nederlandse terugkeer dreigt.
Elk lid is, volgens de Koning van Nederland, een opstandeling en een oproerkraaier. Elk Congreslid weet het en beseft dat hij, eventueel, uitleg zal moeten geven, zal moeten onderduiken of naar het buitenland vluchten. De toenmalige mode, van de heldhaftigheid en van de romantiek, ziet in al deze ontevredenen van het regime, in deze +/- 200 verkozenen van de districten, ware verdedigers van de Vrijheid en van het nieuwe Vaderland.
Op 25 augustus 1830, wordt „De Stomme van Portici“ voor een volle zaal gespeeld: de inwoners van Napels komen er in opstand tegen de willekeur van hun Spaanse onderdrukkers.
Feuillade hernam twee keer geestdriftig :
„Heilige liefde voor het Vaderland, geef ons de durf en de waardigheid terug!
Aan mijn land moet ik het leven; het zal me de vrijheid schuldig zijn! „
U kent het vervolg, het oproer, de Nederlandse garnizoenen tot in hun sterke plaatsen belegerd, de burgerwacht, de administratieve commissie, het Voorlopig Bewind, en tenslotte het Nationaal Congres…
Het is slechts in 1839 dat de Koning van Nederland definitief zijn aanspraak op België opgeeft, waar hij in augustus 1831 nog een bliksemoffensief had gevoerd; hij behoudt trouwens nog lang een dreigend garnizoen in Antwerpen.
De Congreskolom is het werk van Joseph Poelaert en werd in 1859 ingewijd.
Bovenop werd het standbeeld van Leopold I geplaatst, de eerste vertegenwoordiger van de dynastie door het Nationaal Congres gekozen.
Zevenenveertig meters hoog, drieënnegentig trappen binnenin. De kolom draagt gegraveerde marmeren platen met de naam van de 237 leden van het Nationaal Congres en met de voornaamste artikels van de Grondwet.
De vrijheden van godsdienst, van vereniging, van onderwijs en van de pers worden door vier majestueuze allegorieën, de vier hoekstenen van onze Grondwet, voorgesteld.
|
La Colonne du Congrès, rue Royale
Cette colonne élancée commémore l’action courte mais décisive du Congrès National durant la période incertaine où le retour hollandais menace …
Chaque membre est, aux yeux du Roi de Hollande, un rebelle et un séditieux. Chaque Constituant le sait et sait qu’il devra, le cas échéant, rendre compte, devenir clandestin ou fuir à l’étranger.
L’air du temps, celui de l’héroïsme et celui du romantisme font de tous ces mécontents du Régime, de ces quelque 200 élus des districts, les champions de la cause de la Liberté et de la Patrie nouvelle.
Le 25 août 1830, la « Muette de Portici » est jouée devant une salle comble : les Napolitains s’y soulèvent contre l’arbitraire de leurs oppresseurs espagnols.
La Feuillade reprit par deux fois :
« Amour sacré de la Patrie, rends-nous l’audace et la fierté !
A mon pays je dois la vie ; Il me devra la liberté ! »
Vous connaissez la suite, les émeutes, les garnisons hollandaises assiégées dans leurs places fortes, les gardes bourgeoises, la commission administrative, le Gouvernement Provisoire puis le Congrès National …
Ce n’est qu’en 1839 que le Roi de Hollande renonce définitivement à ses prétentions sur la Belgique où il a mené une offensive éclair en août 1831 ; il conservera longtemps encore une garnison menaçante à Anvers.
La Colonne est l’œuvre de Joseph Poelaert et fut inaugurée en 1859.
Elle est surmontée de la statue de Léopold Ier, premier représentant de la dynastie choisie par le Congrès National.
Quarante sept mètres de hauteur, nonante trois marches à l’intérieur, elle présente des plaques en marbre gravées du nom des 237 membres du Congrès National et les principaux articles de la Constitution.
Les libertés de culte, d’association, d’enseignement et de la presse sont incarnées par quatre majestueuses allégories, les quatre pierres d’angle de notre Constitution.
|